maandag 8 december 2025

 

 DAS ARMIERUNGSBUCH

für den Ingenieur-Offizier des Nordabschnittes.

Allgemeines.

Der Ingenieur-Offizier des Nordabschnittes hat sich bei Ausspruch der Armierung der Festung umgehend beim Stabsingenieur des Ing.- und Pionierkorps zur Abholung des Armierungsbuches und Entgegennahme von Befehlen zu melden. Hierauf tritt er mit seinem Bauführer- und Büro­personal zum Kommandeur des Nordabschnitts über, welchem er unterstellt wird.

Seine Aufgabe besteht in der Organisation des sofort einzusetzenden beschleunigten Baubetriebes, Anforderung und Verteilung der Baustoffe, Geräte und Werkzeuge an die Arbeiterbataillone und in der Ueberwachung der sach- und planmässigen Ausführung der nachstehend näher bezeichneten, für die Armierung vorgesehenen Bauarbeiten.

Algemeen.

De ingenieursofficier van het Nordabschnitt moet zich, zodra de Armierung (de onmiddellijke versterking van de vesting) wordt afgekondigd, onverwijld melden bij de stafingenieur van het ingenieurs- en pionierskorps om het armierungsboek af te halen en om bevelen in ontvangst te nemen. Daarna begeeft hij zich, samen met zijn bouwleider en kantoorpersoneel, naar de commandant van het Noordelijk Vak, aan wie hij wordt ondergeschikt.

Zijn taak bestaat uit het organiseren van de onmiddellijk op te starten, versnelde bouwactiviteiten, het aanvragen en verdelen van bouwmaterialen, gereedschap en werktuigen aan de arbeidersbataljons, en het toezicht houden op de correcte en planmatige uitvoering van de hieronder nader omschreven bouwwerken die voor de Armierung zijn voorzien.


°                                                                          °


I. Einteilung und Besatzung des Abschnitts.

Der Nordabschnitt reicht vom Turnhout-Kanal im Osten bis zur Schelde im Westen. Er ist in 2 Unterabschnitte N I und N II geteilt. Ersterer erstreckt sich vom Turnhoutkanal bis zur Bahnlinie Antwerpen–Esschen, letzterer von da bis zur Schelde. Der Unterabschnitt N I ist in 2 Regts.-Abschnitte, der Unterabschnitt N II in 2 Regts.-Abschnitte und dem Scheldeabschnitt eingeteilt. Die Grenzen der Abschnitte sind aus dem Plan ersichtlich. In jedem Regts.-Abschnitt sind 2 Batl. in den Stellungen unterzubringen, während die Unterbringung des 3. Batls. in nahe rückwärts gelegene Ortschaften gedacht ist. (Letzterer wohl gemeinsam mit Scheldeabschnitt.)

I. Indeling en bezetting van de Sectoren.

Het Nordabschnitt loopt van het Kanaal van Turnhout in het oosten tot aan de Schelde in het westen. Het is verdeeld in twee Unterabschnitte, N I en N II. Het eerste strekt zich uit van het kanaal van Turnhout tot aan de spoorlijn Antwerpen–Essen; het tweede loopt van daar tot aan de Schelde. Unterabschnitt N I is verdeeld in twee Regimentsabschnitte; Unterabschnitt N II is verdeeld in twee Regimentsabschnitte plus het Scheldeabschnitt. De grenzen van deze sectoren zijn op het plan aangegeven. In elk Regimentsabschnitt moeten twee bataljons in de stellingen worden ondergebracht, terwijl het derde bataljon is bedoeld voor accommodatie in nabijgelegen dorpen achter de linie. (hetzelfde voor het Scheldeabschnitt.)


°                                                                          °



II. Befehlsstellen.

a.) Für die Abschnittskommandeur N I und N II und die zugehörigen Artillerie-Kommandeur ist im Fort Merksem bezw. in der Ortschaft Ekeren die Einrichtung der notwendigen Räume vorgesehen. Die Fernsprechleitungen sind gelegt, es brauchen nur die Anschlüsse hergestellt zu werden. Die Einrichtung der Räume zu evtl. Verstärkung soll durch die Mannschaft der Stäbe geschehen.

b.) Für die Brigadekommandeure N I und N II und die zugehörigen Artillerie-Regimentskommandeure ist die Unterbringung in Gebäuden der Ortschaften Mariaburg bezw. Hoevenen vorgesehen. Auch hier sind seitens der Festungs-Fernsprech-Abteilung nur noch die Anschlüsse an die bestehenden Fernsprechnetze herzustellen.

c.) Für die 4 Regiments-Kommandeure und die zugehörigen Artilleriegruppen-Kommandeure sind die Räume bereits schussicher in Beton hergestellt. Ihre Lage ist aus dem Plan ersichtlich.

d.) Die Befehlsstände der Kampftruppen (Bataillons-) Kommandeure sind schussicher in Eisenbeton erstellt und an die Fernsprechleitung angeschlossen.

e.) Die Befehlsstände der Artillerie-Untergruppenkommandeure sind ebenfalls bereits in Eisenbeton vorhanden und an das Fernsprechnetz angeschlossen.


II. Commandoposten.

a.) Voor de Abschnittscommandanten N I en N II en de daarbij behorende artilleriecommandanten zijn in Fort Merksem respectievelijk in de gemeente Ekeren de nodige ruimten voorzien. De telefoonlijnen zijn gelegd; enkel de aansluitingen moeten nog worden uitgevoerd. De inrichting van de ruimten voor eventuele versterking moet door het personeel van de staven gebeuren.

b.) Voor de brigadecommandanten N I en N II en de bijhorende artillerieregiments­commandanten is onderbrenging voorzien in gebouwen in de dorpen Mariaburg en Hoevenen. Ook hier hoeft de vesting-telefoonafdeling enkel nog de aansluitingen op de bestaande telefoonnetten tot stand te brengen.

c.) Voor de vier regimentscommandanten en de bijhorende artilleriegroep­commandanten zijn de ruimten reeds bomvrij in beton uitgevoerd. (exempli gratia de JK en de AK-bunkers)

d.) De commandoposten van de gevechtstroepen (bataljonscommandanten) zijn schotvrij in gewapend beton aangelegd en op de telefoonleiding aangesloten. (e.g. de GB.A en GB.B-bunkers)

e.) De commandoposten van de artillerie-ondergroepcommandanten zijn eveneens reeds in gewapend beton aanwezig en op het telefoonnet aangesloten.


°                                                                          °



III. Vorhandene Verteidigungsanlagen.

Eine durchgehende 1. Linie mit doppeltem bis dreifachem Drahthindernis und schusssicheren Eisenbetonbauten, welche im Allgemeinen die Hälfte der Besatzung aufnehmen können, ist vorhanden. Von der 2. Linie sind einzelne Stücke der Schützenstellung sowie ein durchgehendes Drahthindernis von 6 m Breite vorhanden, das sich vom Turnhout-Kanal bis zum linken Flügel bei Fort Stabroeck erstreckt. Zwischen 1. und 2. Linie bestehen einige Verbindungswege.

In der 2. Linie befinden sich außerdem in den teilweise ausgebauten Strecken der Schützenstellung schusssichere Unterschlupfe und Maschinengewehrunterstellräume, welche erstere durchschnittlich 1/6 der Besatzung aufzunehmen vermögen.

Hinter der 2. Linie ist ein System von Maschinengewehrnestern angelegt und zwar zwischen der Strasse Brasschaet–Dryhoeck und dem Ueberflutungsgebiet am linken Flügel.

Die Ueberflutungsmöglichkeit am linken Flügel (Scheldeabschnitt) erklärt den schwächeren Ausbau der Stellung zwischen Fort Stabroeck und der Schelde, das beinahe völlige Fehlen einer 2. Linie und von schusssicheren Bauten. Die Besetzung der Strecke ist nur vorübergehend bis zur Wirksamkeit der Ueberflutung gedacht.


III. Beschikbare verdedigingswerken.

Er is een aaneengesloten eerste linie aanwezig, bestaande uit een dubbele tot driedubbele prikkeldraadversperring en bomvrije bunkers in gewapend beton, die in het algemeen de helft van de bezetting kunnen opnemen. Van de tweede linie bestaan afzonderlijke stukken van de loopgraafstelling, evenals een doorlopende prikkeldraadversperring van 6 meter breed, die zich uitstrekt van het Kanaal van Turnhout tot aan de linkerflank bij Fort Stabroek. Tussen de eerste en tweede linie bestaan enkele verbindingswegen.

In de tweede linie bevinden zich bovendien, in de deels uitgebouwde trajecten van de loopgraafstelling, bomvrije manschappenonderkomens en bomvrije onderkomens voor een machinegeweerploeg; de eerste kunnen gemiddeld één zesde van de bezetting opnemen.

Achter de tweede linie is een systeem van machinegeweernesten aangelegd, namelijk tussen de weg Brasschaat–Driehoek en het overstromingsgebied op de linkerflank.

De mogelijkheid tot inundatie op de linkerflank (Scheldevak) verklaart de zwakkere uitbouw van de stelling tussen Fort Stabroek en de Schelde, het bijna volledig ontbreken van een tweede linie en van schotvrije bouwwerken. De bezetting van dit traject is slechts tijdelijk bedoeld, namelijk tot het moment waarop de inundatie effectief werkzaam wordt.


°                                                                          °


IV. Im Falle der Armierung zu schaffende Verteidigungsanlagen.

Die Armierungszeit für die wichtigsten Massnahmen beträgt 12 Tage (ausser den Vorbereitungen z. B. Zusammenstellung der Arbeiterbataillone, Furhpark-Kolonnen, Requirieren und Verteilen von Werkzeug, wofür ca. 3–4 Tage vorzusehen sind). Innerhalb der Frist von 12 Tagen müssen nachfolgende Arbeiten geschaffen werden:
  1. Bau von Schützenstellungen: Verbindung der bereits gebauten Strecken in der 2. Linie, die in den Lageplänen ersichtlich sind. Es sind herzustellen 15170 lfdm. vollständige Schützenstellungen, bei 2990 lfdm. ist nur noch die Rückenwehr anzusetzen.

  2. Bau von Verbindungswegen: Verbindungswege sind ausser den vorhandenen oder Teilstücken zwischen der 1. und 2. Linie im Ganzen 11 020 lfdm. auszuführen, im allgemeinen 2 auf jeden Kompagnieabschnitt.

  3. Bau von Drahthindernissen: Das Drahthindernis vor der 2. Linie erhält einen zweiten 6 m breiten Streifen. Die Stützpunkte in der 2. Linie werden mit einem doppelten Drahthindernis mit je 6 m Breite umgeben. Im Ganzen sind 180.400 qm anzulegen. Ausführung wie die in der 2. Linie bestehenden.

  4. Einbauten: An Einbauten sind, soweit möglich schusssicher, in Holz und Eisen zu erstellen:
    • Unterschlupfe in der 2. Linie in solcher Zahl, dass sie mit den vorhandenen schusssicheren Räumen die Hälfte der Besatzung der Stellung – 100 Mann für 1 Kompagnie-Abschnitt – aufnehmen können. Im Ganzen sind 111 Unterschlupfe für je 12 Mann erforderlich. Holzbau mit Rundholzverkleidung, Erdschicht, darüber Blechplatten und Eisenbahnschienen, Eisenbahnschienen auch nach vorn, darüber Erde. Sollten Blechplatten und Eisenbahnschienen nicht in hinreichender Menge vorhanden sein, so wäre dafür Rundholz aufzulegen.

    • Nahkampfmittelräume sollen in jedem Kompagnieabschnitt im allgemeinen je 2 hinter der 1. und hinter der 2. Linie erbaut werden.

    • Verbandräume werden für jeden Kompagnieabschnitt je einer hinter der 2. Linie errichtet.

    • Latrinen sollen für jeden Kompagnieabschnitt zu den wenigen vorhandenen so viele hinzugebaut werden, dass mindestens je eine hinter der 1. und eine hinter der 2. Linie vorhanden ist. Danach sind 59 neue Latrinen zu erstellen. 
Nach diesen Grundsätzen sind die Räume in die Pläne eingetragen. Die Zahl der bei den einzelnen Bauanlagen zu beschäftigenden Arbeiter, die Reihenfolge der Arbeiten und ihre Verteilung auf die verschiedenen Armierungstage ist hieraus ebenfalls ersichtlich.

Weitere Neubauten sind nicht erforderlich. In der vorhandenen Linie, in Zwischenstellungen und in einzelnen Stücken der 2. Linie sind bereits hinreichend viele splittersichere Räume für Unterbringung von Schanzzeug und Baustoffen und zu den laufenden Arbeiten vorhanden.

Über den Stand der Armierungsarbeiten und deren Verlauf ist dem Stabsoffizier des Ing.- u. Pion.-Korps täglich Meldung zu erstatten.

IV. Verdedigingswerken die in geval van de onmiddelijke versterkingen moeten worden aangelegd.

De tijd voorzien voor de belangrijkste maatregelen bedraagt 12 dagen (met uitzondering van de voorbereidingen, zoals het samenstellen van de arbeidersbataljons, de transportcolonnes en het opeisen en verdelen van gereedschap, waarvoor ongeveer 3–4 dagen moeten worden voorzien). Binnen de termijn van 12 dagen moeten de volgende werken worden uitgevoerd:
  1. Aanleg van loopgraafstellingen: Het verbinden van de reeds aangelegde trajecten in de tweede linie, zoals zichtbaar op de situeringsplannen. Er moeten 15170 strekkende meter volledige loopgraafstellingen worden aangelegd; bij 2990 strekkende meter hoeft enkel nog de rugdekking te worden aangebracht. Het dwarsprofiel van de loopgraafstelling staat in bijlage 3.

  2. Aanleg van verbindingswegen: Naast de reeds bestaande trajecten of delen daarvan tussen de eerste en tweede linie moet in totaal 11020 strekkende meter verbindingsweg worden uitgevoerd, doorgaans twee per compagnie­sector.

  3. Aanleg van prikkeldraadversperringen: De versperring vóór de tweede linie krijgt een tweede strook van 6 m breed. De steunpunten in de tweede linie worden omgeven door een dubbele prikkeldraadversperring, telkens 6 m breed. In totaal moet 180400 m² worden aangelegd. Uitvoering zoals de reeds bestaande werken in de tweede linie.

  4. Bouwwerken: De bouwwerken moeten, voor zover mogelijk, schotvrij worden uitgevoerd in hout en ijzer:

    • Schuilplaatsen in de tweede linie, in zodanige aantallen dat zij samen met de bestaande bomvrije ruimten de helft van de bezetting van de stelling kunnen opnemen – 100 man per compagniesector. In totaal moeten 111 houten schuilplaatsen voor telkens 12 man worden gebouwd. houten bouw met rondhoutbekleding, een laag aarde, daarboven plaatijzer en spoorrails; spoorrails ook aan de voorzijde, met daarboven aarde. Indien plaatijzer en spoorrails niet in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn, moet rondhout worden gebruikt.

    • Ruimten voor nabijheidsgevechtsmiddelen  moeten in elke compagniesector in het algemeen telkens twee achter de eerste en achter de tweede linie worden gebouwd.

    • Verbandruimten worden per compagniesector telkens één achter de tweede linie opgericht. 

    • Latrines moeten per compagniesector worden aangevuld tot er minstens één achter de eerste en één achter de tweede linie aanwezig is. In totaal moeten 59 nieuwe latrines worden gebouwd.
Volgens deze uitgangspunten zijn de ruimten in de plannen ingetekend. Hieruit blijken ook het aantal benodigde arbeiders per bouwlocatie, de volgorde van uitvoering en de verdeling van de werkzaamheden over de verschillende dagen voor het in werking stellen en uitvoeren van alle voorbereide werken van het verdedigingsplan

Verdere nieuwbouw is niet nodig. In de bestaande linie, in tussenstellingen en in afzonderlijke delen van de tweede linie bevinden zich reeds voldoende scherfvrije ruimten voor de opslag van gereedschap, bouwmaterialen en voor de lopende werkzaamheden.

Over de stand van de werken en hun verloop moet dagelijks verslag worden uitgebracht aan de stafofficier van het ingenieurs- en pionierskorps.


°                                                                          °


V. Armierungsmassnahmen im näheren Vorgelände.

Das Schussfeld der 1. Linie ist bereits freigemacht. Es bedarf im allgemeinen höchstens der Beseitigung einzelner Gebüsche; nur im Scheldeabschnitt sind die Bäume zwischen der Dammstellung und dem Ort Beirendrecht zu fällen, sowie einzelne Häuser durch Sprengung niederzulegen, desgl. 2 Häuser vor der 2. Linie zwischen Putterstrasse und Redoute Smoutakker. Die Sprengung ist von dem unter VII. bezeichneten Sprengkommando vorzunehmen.

Im Drahthindernis vor der 1. Linie sind noch einige Patrouillendurchgänge herzustellen, und der Hochspannungszaun zwischen Stabroeck und der Putterstrasse spannungslos zu machen und an den Postendurchgängen zu durchschneiden. (Zu dieser Arbeit ist das Betriebsamt des Grenzzaunes in Maeseyck aufzufordern.)

Da die Bauten gut verwachsen sind, bedarf es keiner Maskierung mehr; falls Zeit vorhanden, kann Abdeckung der Drahthindernisse und Ueberdeckung der Gräben mit Zweigen vorgenommen werden.

V. Armeringsmaatregelen in het nabije voorterrein.

Het schootsveld van de eerste linie is reeds vrijgemaakt. In het algemeen is hoogstens het verwijderen van enkele struiken nodig; enkel in het Scheldeabschnitt moeten de bomen tussen de dijkstelling en het dorp Berendrecht worden geveld, evenals enkele huizen door middel van springladingen worden neergehaald. Eveneens twee huizen vóór de tweede linie tussen de Putterstraat en de schans van Smoutakker. Het opblazen moet worden uitgevoerd door het onder punt VII genoemde springcommando.

In de prikkeldraadversperring vóór de eerste linie moeten nog enkele patrouille-doorgangen worden aangebracht, en de hoogspanningsafsluiting tussen Stabroek en de Putterstraat moet spanningsloos worden gemaakt en bij de postdoorgangen worden doorgeknipt. (Voor deze taak moet het beheerskantoor van de grensafsluiting in Maaseik worden opgeroepen.)

Aangezien de bouwwerken reeds goed met de omgeving zijn vergroeid, is verdere camouflage niet nodig; indien er tijd beschikbaar is, kan een bedekking van de prikkeldraadversperringen en een afdekking van de grachten met takken worden uitgevoerd.


°                                                                          °


VI. Überflutungen.

Die Betätigung der Überflutung im Scheldeabschnitt ist nur auf besonderen Befehl des Stabsoffiziers des Jng.- u. Pion.-Korps beim Gouvernement zu veranlassen. Die Gebiete, deren Ueberschwemmung möglich ist, zeigt die Karte, Anlage 1

Dem Schleusenkommando (Gefr. Leps als Führer und 6 Maschinisten) in Beirendrecht sind die nötigen Anweisungen zu geben, insbesondere welche Gebietsteile zu überschwemmen sind.

Die zur dauernden Bedienung und Bewachung der Schleusen erforderlichen Mannschaften sind beim Abschnittskommandeur aus der Sicherheitsbesatzung zu beantragen. Zur Bewachung der Schleusen werden 3 Unteroffiziere, 18 Mann, zur Hilfeleistung 4 Mann benötigt.

VI. Overstromingen (inundaties).

Het in werking stellen van de inundatie in het Scheldeabschnitt mag slechts op uitdrukkelijk bevel van de stafofficier van het ingenieurs- en pionierskorps bij het gouvernement worden uitgevoerd. Op de kaart, bijlage 1, zijn de gebieden aangegeven die kunnen worden overstroomd.

Aan het sluizencommando (korporaal Leps als leider en 6 machinisten) te Beirendrecht moeten de nodige aanwijzingen worden verstrekt, in het bijzonder met betrekking tot welke gebiedsdelen moeten worden geïnundeerd.

De manschappen die vereist zijn voor de permanente bediening en bewaking van de sluizen moeten door de Abschnittscommandant uit de veiligheidsbezetting worden aangevraagd. Voor de bewaking van de sluizen zijn 3 onderofficieren en 18 man nodig; voor hulpdiensten nog eens 4 man.


°                                                                          °


VII. Armierungsmassnahmen im Vorgelände.

Die Waldbedeckung des Vorgeländes macht in erster Linie weitgehendste Beseitigung erforderlich, um der feindlichen Artillerie die Beobachtung und gedeckte Aufstellung zu erschweren. Beseitigt ist der Baumbestand schon jetzt bis etwa 1 km vor der 1. Linie. Weitere Abtragung des Waldes ist zur Zeit im Gänge und bis auf einen Streifen von 3 km Breite beabsichtigt. Vor der Dammstellung Beirendrecht (Scheldeabschnitt und 4. Regimentsabschnitt / Bataillonsabschnitt I) ist die Geländebedeckung zu erhalten, solange die Eisenbahnbatterien bei Santvliet in Tätigkeit bleiben. Der grosse Umfang der Waldniederlegung gestattet im allgemeinen kein Fällen, sondern nur das Abrennen, wobei einzelne Teile stehen bleiben, welche nebst den Gebäuden, die vorläufig geschont werden, vorgeschobenen Abteilungen als Stützpunkte und der eigenen Beobachtung dienen sollen.

Der Übersichtsplan enthält die Grenze, bis zu welcher die Niederlegung des Waldbestandes mindestens reichen sollte, sowie die Waldstücke, welche stehen bleiben sollen.

Von den Ortschaften wären Esschen und Calmpthout durch Abbrennen zu zerstören und die Brunnen zu verschütten.

Aufreissen von Strassen soll unterbleiben, um etwaige Vorstösse nicht zu erschweren.

Auf Ersuchen des 1. Art. Offz. v. Platz soll im Armierungsfalle die Sprengung der nachstehend genannten Kirchtürme vorgenommen werden:

  • sofort auszuführen:
    • Kirchturm Brecht
    • Kirchturm St. Leonhard
    • Kirchturm Wuestwezel

  • erst nach Zurückziehen der eigenen Stellungen auszuführen:
    • Kirchturm Calmpthout
    • Kirchturm Holl. Putten  
    • Kirchturm Belg. Putten
    • Belvédère Holl. Putten
    • Kirchturm Ossendrecht
    • Kirchturm Santvliet

Hierfür sind in Anlage 9 die Sprengentwürfe ausgearbeitet. Die Sprengung wird von 1 Kommando der 2. Ldst. Pionier-Kompagnie I. A. K. in Stärke von 1 Unteroffizier und 6 Mann bewerkstelligt.

Die Munition zum Sprengen besteht aus 2 000 Sprengkörpern C/88, 200 Sprengkapseln und 1100 m Zündschnur und lagert in Fort Capellen in Verwahrung des Artillerie-Depots.

VII. Armeringsmaatregelen in het voorterrein.

De bosbedekking van het voorterrein moet in de eerste plaats zo volledig mogelijk worden verwijderd, om de vijandelijke artillerie de waarneming en de gedekte opstelling te bemoeilijken. De boomstand is reeds tot ongeveer 1 km vóór de eerste linie geruimd. Verdere ontbossing is momenteel aan de gang en is voorzien tot op een strook van 3 km breed. Voor de dijkstelling bij Beirendrecht (Scheldeabschnitt en 4.Regimentsabschnitt / Bataillonsabschnitt I) moet de terreinbedekking behouden blijven, zolang de spoorwegbatterijen bij Santvliet moeten blijven functioneren. De omvang van de bosruiming laat in het algemeen geen vellen toe, maar enkel het afbranden, waarbij afzonderlijke delen blijven staan. Deze delen, samen met de gebouwen die voorlopig worden ontzien, dienen als steunpunten voor vooruitgeschoven troepen en voor eigen waarneming.

Het overzichtsplan bevat de grens tot waar de ontbossing minstens moet reiken, evenals de bospercelen die moeten blijven staan.

Van de dorpen Essen en Kalmthout zouden door afbranding de bebouwing moeten worden vernietigd en de waterputten onbruikbaar gemaakt.

Het openbreken van wegen moet achterwege blijven om mogelijke aanvallen niet te bemoeilijken.

Op verzoek van de eerste artillerieofficier ter plaatse moeten in geval van armering de hieronder genoemde kerktorens worden opgeblazen:

  • onmiddellijk uit te voeren:
    • Kerktoren Brecht
    • Kerktoren St. Lenaarts
    • Kerktoren Wuustwezel

  • pas uit te voeren na terugtrekking uit de eigen stellingen:
    • Kerktoren Kalmthout
    • Kerktoren Hollands Putte
    • Kerktoren Belgisch Putten
    • Belvédère Hollands Putte (Hoogenberg)
    • Kerktoren Ossendrecht
    • Kerktoren Santvliet

Hiervoor zijn in bijlage 9 de springontwerpen uitgewerkt. De vernietiging wordt uitgevoerd door een commando van de 2e Landsturm-Pioniercompagnie van het I. Armeekorps, bestaande uit één onderofficier en zes man.

De springlading bestaat uit 2.000 springlichamen type C/88, 200 ontstekers en 1.100 meter lont, opgeslagen in Fortje van Kapellen onder beheer van het artilleriedepot.



°                                                                          °



VIII. Armierungsmassnahmen im Hintergelände.

Diese Massnahmen können mit den verfügbaren Arbeitskräften nicht mehr innerhalb der Armierungszeit von 12 Tagen ausgeführt werden. Sie sind daher in den Berechnungen und Plänen nicht berücksichtigt.

In erster Linie kommen in Frage:
  • Verbindungswege aus der 2. Linie nach rückwärtigem Gelände und Ortschaften. Solche sind nur in dem nicht mit Wald bedeckten Gelände erforderlich und vorgesehen.

  • Ausbau der Maschinengewehrnester durch Anbau von kleinen Stellungsanbauten und Umbauung mit Drahthindernis.

  • Gedeckte Feldküchen brauchen nicht eingerichtet zu werden, da geeignete Gebäude im rückwärtigen Gelände vorhanden sind.

  • Herstellung neuer Brücken und Wege entfällt.

  • Von der Niederlegung hoher Gelände­teile ist abzusehen, da hierdurch die eigene Beobachtung erschwert wird und dem Gegner doch kein entsprechender Nachteil bereitet wird.

  • Die Kolonnenwege müssen im Gelände noch genau bezeichnet werden.

  • An Befehlsständen sind noch 2 Brigadekommandeurstände mit je einem Art.-Regts.-Kommandeur-Stand an den mit Anlage … bezeichneten Stellen mit Behelfsmaterial zu bauen.

VIII. Armeringsmaatregelen in het achterterrein.

Deze maatregelen kunnen met de beschikbare arbeidskrachten niet meer binnen de armeringstijd van 12 dagen worden uitgevoerd. Zij zijn daarom niet opgenomen in de berekeningen en plannen.

In de eerste plaats komen in aanmerking:

  • Verbindingswegen van de tweede linie naar het achterliggende terrein en naar de dorpen. Dergelijke wegen zijn enkel nodig en voorzien waar het terrein niet door bos is bedekt.

  • Uitbouw van de machinegeweernesten, door het aanbrengen van kleine stellingaanbouwen en door ombouw met prikkeldraadversperring.

  • Overdekte veldkookplaatsen hoeven niet te worden ingericht, aangezien er geschikte gebouwen in het achtergebied aanwezig zijn.

  • Het aanleggen van nieuwe bruggen en wegen vervalt.

  • Van het afgraven van hoge terreindelen moet worden afgezien, omdat dit de eigen waarneming belemmert en de vijand er geen noemenswaardig nadeel van ondervindt.

  • De kolonnenwegen moeten in het terrein nog nauwkeurig worden aangeduid.

  • Wat de commandoposten betreft, moeten nog twee brigadecommandoposten worden gebouwd, elk met een artillerieregimentscommandopost, op de plaatsen die in de bijlage … zijn aangeduid, en dit met gebruik van noodmateriaal.


°                                                                          °


IX. Pionierparks.

Für den laufenden Armierungsbetrieb und die Zeit nach demselben ist unverzüglich mit der Anlage eines Abschnittspionierparkes in Merxem (im Sägewerk beim Kleinbahnhof Eiskelder) und je eines Regimentspionierparkes für jeden Regimentsabschnitt an der Armierungsbahn an den im Plan Anlage 1 bezeichneten Stellen zu beginnen.

Das Personal ist aus den zu überweisenden Pioniertruppen zu entnehmen.


IX. Pionierparken.

Voor de lopende armeringswerken en de periode daarna moet onverwijld worden begonnen met de aanleg van een Abschnittspionierpark in Merksem (in de zagerij bij het buurtspoorstation Eiskelder) en met de aanleg van één regimentspionierpark voor elk regimentsabschnitt, langs de armeringsbaan op de in de bijlage 1 aangeduide plaatsen.

Het personeel moet worden geleverd door de over te dragen pioniertroepen.


N.B.: Het overslagstation De IJskelder lag in Merksem, 200 meter ten noorden van de reeds verdwenen Bredapoort van de grote omwalling (de contouren van deze verdwenen omwalling heb ik mee ingetekend). Het was een belangrijk overstappunt: reizigers kwamen vanuit Antwerpen per paardentram naar Merksem (IJskelder), waar zij vervolgens konden overstappen op de stoomtrams richting Bergen op Zoom of Breda. Over de Bredabaan liepen vroeger immers tramsporen naar — de naam zegt het zelf — Breda. Bij het uitbreken van de oorlog bleven de tramsporen tot aan de frontlinie behouden, maar alle rails tussen de schans Drijhoek aan de Bredabaan en de Nederlandse grens werden opgebroken. Deze spoorstaven werden vervolgens hergebruikt bij de bouw van de bunkers van het Nordabschnitt; ze zitten dus vandaag nog steeds verwerkt in de dakconstructies van die bunkers.


°                                                                          °



X. Arbeitskräfte.

Zur Ausführung der vorstehend aufgeführten Arbeiten sind 17.600 Arbeiter benötigt, die der belgischen Bevölkerung entnommen werden.

Es haben für den Nordabschnitt zu stellen:
  • Kommando des Nordabschnitts (N.II): 4 000 Mann
  • Kommando des Ostab­schnitts (N.I): 10.000 Mann
  • Kommandantur Antwerpen: 3.000 Mann

Die Arbeitskräfte werden zu Einwohnerbataillonen militärisch organisiert, ihre Aufstellung erfolgt durch die Meldeämter. Die Übernahme erfolgt durch den Abschnitt von der vorher zu bestimmenden Dienststelle. Die Kopfstärke der Bataillone beträgt 2.000, in einigen Fällen 1.500 Mann. Sie sind formiert zu 4 Kompagnien.

Für die Führung eines Batl. wird ein Offizier (Leutnant oder Hauptmann) bestimmt, dem 2 ältere Unteroffiziere und 1 Schreiber als Hilfsorgan beigegeben sind. Dem ärztlichen Dienst pro Batl. versieht ein Arzt und 2 Sanitäts-Unteroffiziere.

Die Einwohnerkompanie wird von 1 Off. Stellvertreter geführt, welcher noch 4 Hilfskräfte hat: 1 Feldwebeldiensttuer, 1 Fourier, 1 Schreiber, 1 Oberschachtmeister.

Die Kompanie wird eingeteilt in 3 Züge, jeder Zug in 4 Arbeitsgruppen zu 30 bis 50 Mann. Die Züge werden von älteren Unteroffizieren geführt, die Arbeitsgruppen von 1 Gefreiten, dem sogenannten Schachtmeister. Den ärztlichen Dienst bei jeder Kompanie versieht ein Sanitäts-Unterorgan mit einer Hilfskraft. Jeder Kompanie ist außerdem 1 Dolmetscher beigegeben.

Außer dem genannten Kompanie-Personal, welches den inneren und technischen Dienst leitet, wird als besondere Militärpolizeiliche Aufsicht für die Arbeit und Unterkunft jeder Einwohnerkompanie 1 verstärkte Gruppe (1 Unteroffizier, 1 Gefreiter, 10 Mann) beigegeben.

Zusammengefasst ergibt sich für 1 Einwohnerbatl. nachstehender Bedarf an Aufsichts- und Überwachungspersonal:

  • 1x Batl.-Führer (Hauptmann oder Leutnant)
  • 3x Batl.-Unteroffiziere und Schreiber
  • 4x Kompanieführer (Off. Stellvertreter)
  • 12x Ältere Komp. Unteroffiziere, Feldw. Diensttuer, Fourier, Oberschachtmeister
  • 4x Kompanieschreiber
  • 12x Zugführer (ältere Unteroffiziere)
  • 40x Schachtmeister (Pionier-Gefr. oder Pionier)
  • 1x Arzt
  • 10x Sanitäts-Unteroffiziere oder Gefreiter
  • ?? Dolmetscher
  • Bewachungspersonal: 
    • 8x Unteroffiziere und Gefreiter
    • 40x Mannschaften

Das Aufsichts- und Bewachungspersonal wird der Infanterie entnommen, die Schachtmeister den Pionieren.

Die Einwohnerbataillone unterstehen dem Pionier-Kommandeur des Abschnitts, von dem sie ihre Aufträge erhalten.

Die Stärke der im Nordabschnitt zur Verwendung kommenden 9 Einwohnerbataillonen beträgt:

  • Bataillon I – 2 000 Mann
  • Bataillon II – 2 000 Mann
  • Bataillon III – 1 500 Mann
  • Bataillon IV – 1 500 Mann
  • Bataillon V – 2 000 Mann
  • Bataillon VI – 2 000 Mann
  • Bataillon VII – 2 000 Mann
  • Bataillon VIII – 2 000 Mann
  • Bataillon IX – 2 000 Mann

Außer den Einwohnerbatl. kommt noch eine Pionierparkkomanie für den Pionierpark des Abschnitts zur Verwendung.

Von den Dienststellen und Hilfsorganen abgesehen, sind im Nordabschnitt für technische und polizeiliche Zwecke erforderlich:

  • rund 2 ⅓ Pionierkompanien
  • und 2 Infanteriekompanien

Während der Nacht werden die Wachen in den Ortsunterkünften durch Bereitschaften verstärkt.

X. Arbeidskrachten.

Voor de uitvoering van de hierboven opgesomde werken zijn 17.600 arbeiders nodig, die uit de Belgische bevolking zullen worden gehaald (zie lijst in bijlage …).

Voor het Nordabschnitt moeten worden geleverd:

  • Commando van het Nordabschnitt (N.II): 4.000 man
  • Commando van het Ostabschnitt (N.I): 10.000 man
  • Kommandantur Antwerpen: 3.000 man

De arbeidskrachten worden militair georganiseerd in inwonerbataljons. Hun opstelling gebeurt via de gemeentelijke meldkamers. De overname gebeurt door het betreffende Abschnitt via de vooraf te bepalen dienst. De sterkte van een bataljon bedraagt 2.000, in sommige gevallen 1.500 man, en zij worden onderverdeeld in 4 compagnies.

Een bataljon staat onder leiding van een officier (luitenant of kapitein), bijgestaan door 2 oudere onderofficieren en 1 schrijver. De geneeskundige dienst van het bataljon wordt verzorgd door 1 arts en 2 sanitair-onderofficieren.

Een inwonercompagnie wordt geleid door een officier-adjunct, die vier hulpkrachten heeft: 1 sergeant-majoor, 1 kwartiermeester (fourier), 1 schrijver en 1 bovenschachtmeester.

De compagnie wordt ingedeeld in 3 pelotons, elk verdeeld in 4 werkploegen van 30 tot 50 man. De pelotons worden geleid door oudere onderofficieren; de werkploegen door één korporaal, de zogeheten schachtmeester. De geneeskundige dienst per compagnie wordt verzorgd door een sanitair onderorgaan met één hulpkracht. Elke compagnie krijgt bovendien één tolk toegewezen.

Naast het gewone compagniepersoneel, dat de interne en technische dienst leidt, wordt aan elke inwonercompagnie één versterkte groep militaire politie toegewezen (1 onderofficier, 1 korporaal, 10 manschappen).

Samengevat bedraagt voor één inwonerbataljon de behoefte aan toezichts- en bewakingspersoneel:

  • 1x Bataljonscommandant (kapitein of luitenant)
  • 3x Onderofficieren en schrijver van het bataljon
  • 4x Compagniescommandanten (officier-adjunct)
  • 12x Oudere compagnie-onderofficieren, sergeant-majoor, kwartiermeester, bovenschachtmeester
  • 4x Compagnieschrijvers
  • 12x Pelotonscommandanten (oudere onderofficieren)
  • 40x Schachtmeesters (pionier-korporaal of pionier)
  • 1x Arts
  • 10x Sanitair onderofficieren of korporaals
  • ?? Tolken (aantal niet vermeld)
  • Bewakingspersoneel: 
    • 8x onderofficieren en korporaals
    • 40 manschappen

Het toezicht- en bewakingspersoneel wordt uit de infanterie gehaald; de schachtmeesters uit de pioniers.

De inwonerbataljons staan onder bevel van de pioniercommandant van het Abschnitt, van wie zij hun opdrachten ontvangen.

De sterkte van de 9 inwonerbataljons die in het Nordabschnitt zullen worden ingezet bedraagt:

  • Bataljon I – 2.000 man
  • Bataljon II – 2.000 man
  • Bataljon III – 1.500 man
  • Bataljon IV – 1.500 man
  • Bataljon V – 2.000 man
  • Bataljon VI – 2.000 man
  • Bataljon VII – 2.000 man
  • Bataljon VIII – 2.000 man
  • Bataljon IX – 2.000 man

Naast de inwonerbataljons wordt ook één pionierparkcompagnie ingezet voor het pionierpark van het Abschnitt.

Afgezien van de dienstinstellingen en hulpkorpsen zijn in het Nordabschnitt voor technische en politiediensten nodig:

  • ongeveer 2 ⅓ pioniercompagnies
  • en 2 infanteriecompagnies

’s Nachts worden de wachten in de lokale kwartieren versterkt door extra Bereitschaften.


°                                                                          °



XI. Verwendungsgebiete und Unterbringungsorte der Einwohnerbatl.

Arbeitszeit: Die Verwendungsgebiete und Unterbringungsorte sind aus Anlage 11 (Karte 1 : 40 000) ersichtlich. Die Arbeitszeit beginnt an den Baustellen um 6 Uhr morgens und endet 6 Uhr abends. Die Mittagspause fällt zwischen 12 und 1 Uhr. Dieselbe wird jedoch durch den Pionierkommandeur des Abschnitts je nach Bedürfnis geändert.


XI. Gebieden van inzet en verblijfplaatsen van het inwonersbataljon.

Arbeidstijd: De inzetgebieden en verblijfplaatsen blijken uit bijlage 11 (kaart 1 : 40 000). De werktijd begint op de bouwplaatsen om 6 uur ’s morgens en eindigt om 6 uur ’s avonds. De middagpauze valt tussen 12 en 1 uur, maar kan door de pioniercommandant van het betrokken onderdeel worden aangepast naargelang de noodzaak.



°                                                                          °



XII. Verpflegung der Einwohnerbataillone.

Die Verpflegung der Bataillone erfolgt aus den Beständen des Proviantamts Antwerpen aus den im Nordabschnitt von diesem zu errichtenden Proviantmagazinen. Seitens der Kommandeure ist bei der Gouv. Intendantur zu erfragen, welchem Magazin ihr Einwohnerbataillon zugeteilt ist. Die Verpflegung wird geregelt und überwacht durch einen vom Batslführer zu bestimmenden Verpflegungsoffizier (Off. Stellvertreter, Vizefeldwebel). Jede Einwohnerkompagnie bildet für sich eine Kochgemeinschaft unter einem Verpflegungsunteroffizier, welcher aus der Bewachungsmannschaft zu entnehmen ist.

Alles übrige Personal (Köche und Hilfspersonal) wird aus den Einwohnerbataillonen selbst gestellt. (Über die Anfuhr der Lebensmittel siehe unter XII). Die erforderlichen Essgeräte muss jeder Einzelne mitbringen. Die Kochstellen der einzelnen Bataillone sind aus nachstehender Zusammenstellung ersichtlich.


XII. Voeding van de inwonersbataljons.

De bevoorrading van de bataljons gebeurt uit de voorraden van het Proviandambt Antwerpen en uit de proviandmagazijnen die hiervoor in de noordelijke sector worden opgericht. De commandanten moeten bij de gouvernements-intendant informeren aan welk magazijn hun inwonersbataljon is toegewezen. De voedselvoorziening wordt geregeld en gecontroleerd door een bevoorradingsofficier die door de bataljonscommandant wordt aangewezen (adjudant-officier of onderofficier van rang vice-feldwebel).

Elke inwonerscompagnie vormt een kookgemeenschap onder leiding van een bevoorradings-onderofficier, die uit het bewakingsdetachement wordt genomen.

Al het overige personeel (koks en hulpers) wordt door de inwonersbataljons zelf geleverd. (Over het aanvoeren van levensmiddelen, zie onder XII). Het benodigde eetgerei moet iedere soldaat persoonlijk meebrengen. De kookplaatsen van de afzonderlijke bataljons zijn vermeld in het volgende overzicht.



°                                                                          °



XIII. Fuhrwerke für Baustoffbedarf.


Die Beförderung der Baustoffe pp. von den Holzgewinnungsstellen, den Baustofflagern und den Bahnhaltestellen zu den Baustellen erfolgt mittels des landesüblichen zweirädrigen Einspänners. Es sind erforderlich:


XIII. Voertuigen voor de behoefte aan bouwmaterialen.

Het vervoer van de bouwstoffen enz. vanaf de houtwinningsplaatsen, de bouwstofdepots en de spoorweghaltes naar de werkplaatsen gebeurt met het gebruikelijke landelijke tweewielige enkelspanvoertuig. Er zijn nodig:




°                                                                          °



XIV. Baustoffbedarf.

Die für die einzelnen Bataillonsabschnitte und für den ganzen Nordabschnitt benötigten Baustoffe sind errechnet nach den in Anlage 8 aufgeführten Armierungsarbeiten und sind aus Nachweisung Anlage 12 ersichtlich. Der Berechnung sind die Einheitssätze Anlage 13 zu Grunde gelegt.

  • Rundholz und Flechtwerk: wird am zweckmässigsten zwischen der 1. und 2. Linie gewonnen, sowie hinter der 2. Linie, wo beinahe durchgehends Buschwerk und Waldungen sich befinden. Mit Rücksicht auf genügende Fliegerdeckung kann es sich nur um eine sehr vorsichtige Durchlichtung handeln.

  • Bretter und Bohlen: befinden sich in den Baustofflagern der Fortifikation (bei Fort Schooten, bei Fort Brasschaet, am Bahnhof Denneburg, bei Fort Stabroeck).

  • Blechplatten und Schienen: sind ebenfalls in den genannten Baustofflagern gelagert.

  • Glat­ter Draht, Stacheldraht, Krammen und Nägel: Der vorhandene glatte und Stacheldraht lagert in den Baustofflagern der Fortifikation im Nordabschnitt. Der fehlende Bedarf sowie die Krammen und Nägel werden im Bedarfsfalle zusammen mit dem Bedarf des 1. Artillerie-Offiziers vom Platz beim General der Pioniere im Grossen Hauptquartier angefordert, mit der Bitte, das nahe gelegene Drahtwerk Hemixem mit der Lieferung zu beauftragen. In diesem Falle könnte mit einer raschen Anlieferung gerechnet werden. Sollte der Draht nicht rasch genug beschafft werden können, so empfiehlt sich der alsbaldige Abbau des alten belgischen Drahthindernisses, soweit es sich in grösserem Abstand vor der 1. Linie hinzieht und infolge dessen geringen Wert hat.
Die Verteilung der eintreffenden Materialien besorgt der Festungsoffizierhof.
Die jeweiligen Versandziele sind beim Ingenieuroffizier des Abschnitts und beim 1. Artillerie-Offizier vom Platz zu erfragen.


XIV. Behoefte aan bouwmaterialen.

De voor de afzonderlijke bataljonssectoren en voor de gehele noordelijke sector benodigde bouwmaterialen zijn berekend op basis van de in bijlage 8 opgesomde versterkingswerken, en worden weergegeven in de overzichten van bijlage 12. Voor de berekening zijn de eenheidsnormen uit bijlage 13 gebruikt.

  • Rondhout en vlechtwerk: Dit kan het best worden gewonnen tussen de 1ste en 2de linie, evenals achter de 2de linie waar vrijwel aaneengesloten struikgewas en bospercelen aanwezig zijn. Omwille van voldoende luchtdekking mag het slechts gaan om een zeer voorzichtige uitdunning.

  • Planken en balken: bevinden zich in de bouwstofdepots van de fortificatie (bij Fort Schoten, Fort Brasschaat, het station Denneburg en bij Fort Stabroek).

  • Plaatijzer en spoorrails: worden eveneens in deze depots opgeslagen.

  • Gladde draad, prikkeldraad, krammen en nagels: De aanwezige gladde draad en prikkeldraad waren opgeslagen in de bouwstofdepots van de fortificatie in de noordelijke sector. De ontbrekende hoeveelheden, evenals krammen en nagels, worden indien nodig tegelijk met de aanvraag van de 1ste artillerieofficier ter plaatse, bij de generaal der pioniers in het Groot Hoofdkwartier aangevraagd, met het verzoek het nabijgelegen draad verwerkende bedrijf te Hemiksem te belasten met de levering.
In dat geval kan op een snelle aanvoer worden gerekend. Indien de draad niet snel genoeg kan worden verkregen, wordt aanbevolen om het oude Belgische prikkeldraadversperringswerk af te breken, voor zover het zich op grotere afstand vóór de 1ste linie uitstrekt en daardoor weinig waarde heeft.

De verdeling van de binnenkomende materialen gebeurt door de vestingofficier. De bestemmingsplaatsen moeten worden opgevraagd bij de genieofficier van het betrokken onderdeel en bij de 1ste artillerieofficier ter plaatse.


°                                                                          °



XV. Werkzeugbedarf.

Die für die einzelnen Batls.-Abschnitte und für den ganzen Nordabschnitt benötigten Werkzeuge sind in Anlage 14 errechnet nach den in Anlage 10 für die einzelnen Arbeiten erforderlichen Arbeiterzahlen.
Der Berechnung sind die Einheitssätze, Anlage 15, zu Grunde gelegt.

Anlage 16 gibt die Nachweisung der Schanz- und Werkzeuge. Dieselben sind teils in den Baustofflagern des Abschnitts, teils im Schirrhof vorhanden; der fehlende Rest muss beigetrieben werden. Soweit dies nicht möglich, wird er beim Stabsoffizier der Pioniere Nr. 164 in Brüssel durch die Fortifikation angefordert werden.

Erkundungen über das in den Gemeinden vorhandene Schanz- und Werkzeug haben stattgefunden. Ihr Ergebnis ist in Anlage 17 niedergelegt.

Bei Ausspruch der Armierung hat der Ingenieur-Offizier beim Abschnittskommandeur einen Befehl an die Ortskommandanturen zu erwirken, nach dem diese die Bürgermeister zur Ablieferung der in den Gemeinden vorhandenen Geräte zu veranlassen haben. Die Ortskommandanten haben für die Einlieferung der Geräte an die Baustofflager Sorge zu tragen.

Die Ausgabe der Geräte an die Einwohnerbataillone erfolgt in den Baustofflagern.

Die Verteilung der anzufordernden Werkzeugmengen besorgt beim Eintreffen der Schirrhof im Benehmen mit dem Ingenieur-Offizier des Abschnitts und dem 1. Artillerie-Offizier vom Platz.


XV. Behoefte aan gereedschap.

Het voor de afzonderlijke bataljonssectoren en voor de gehele noordelijke sector benodigde gereedschap is berekend in bijlage 14, op basis van het aantal arbeiders nodig voor de werkzaamheden zoals vermeld in bijlage 10. Voor de berekening zijn de eenheidsnormen uit bijlage 15 gebruikt.

Bijlage 16 geeft een overzicht van de graaf- en werktuigen. Deze bevinden zich deels in de bouwstofdepots van de sector, deels op de materieelhoeve; wat ontbreekt moet worden aangevuld. Voor zover dit niet mogelijk is, wordt het resterende materiaal door de fortificatie aangevraagd bij de pionierstafofficier nr. 164 in Brussel.

Er heeft een onderzoek plaatsgevonden naar het in de gemeenten aanwezige gereedschap en graafmateriaal. De resultaten zijn vastgelegd in bijlage 17.

Wanneer de armiering wordt afgekondigd, moet de genieofficier via de sectorcommandant een bevel laten uitgaan naar de plaatselijke commandanten, die op hun beurt de burgemeesters moeten verplichten het in de gemeenten aanwezige gereedschap in te leveren. De plaatselijke commandanten moeten erop toezien dat dit materiaal wordt afgeleverd aan de bouwstofdepots.

De uitgifte van gereedschap aan de inwonersbataljons gebeurt in de bouwstofdepots.

De verdeling van de aan te vragen gereedschaps hoeveelheden gebeurt bij aankomst door het materieeldepot in overleg met de genieofficier van de sector en de 1ste artillerieofficier ter plaatse.